?

Log in

Warte, warte, wilder Schiffsmann,
gleich folg' ich zum Hafen dir;
von zwei Jungfraun nehm' ich Abschied,
von Europa und von ihr.

Blutquell, rinn' aus meinen Augen,
Blutquell, brich aus meinem Leib,
daß ich mit dem heißen Blute
meine Schmerzen niederschreib'.

Ei, mein Lieb, warum just heute
schauderst du, mein Blut zu sehn?
Sahst mich bleich und herzeblutend
lange Jahre vor dir stehn!

Kennst du noch das alte Liedchen
von der Schlang' im Paradies,
die durch schlimme Apfelgabe
unsern Ahn ins Elend stieß.

Alles Unheil brachten Äpfel!
Eva bracht' damit den Tod,
Eris brachte Trojas Flammen,
du brachst'st beides, Flamm' und Tod.

[Heinrich Heine]

Oct. 31st, 2008

De harde, spitse regendruppels

tikken, onregelmatig, chaotisch –

tik, tak, tak, tik, tak, tik –

op het dikke, ferme glas van mijn raam

 

Rumoerige marktlui verdringen elkaar

duwend, trekkend, schreeuwend –

allesbehalve luisterend –

voor de hoge poorten om mijn tuin

 

Ik werp een mistroostige blik uit ’t raam

alwaar ‘k de buitenwereld aanschouw –

troosteloos en verstoken van ieder licht –

en met een ruk rechtsomkeert maak

 

Mijn cherubijn zal mij beschermen,

zich over mijn zieleheil ontfermen.

De poorten, ramen en deuren blijven dicht

en ik blijf binnen,

                             want binnen – is het licht


Y = 47,5...


Y = 47,5…

 

Een avond in een deinende grijze menigte met een fel schijnende zon aan de zijkant van de zaal. Een avond in een stille zaal die een hoopvolle toekomst voor ons vertoont. Een avond met de heerlijkste spijzen, in afwachting van een dessert op jouw drempel. Lippen raken elkander, een pact wordt bezegeld en mijn nuchtere hoofd verplaatst zich naar hogere sferen.

Wekenlang klimmen wij samen in de cumulatieve frequentiepolygoon. Alles liep op rolletjes, totdat jij ineens met het H-woord aan moest komen. De rillingen liepen over mijn rug toen jij dat er doodleuk uit flapte op X = 15 in Y = 2,5X + B waarbij B = 10 (en dan ben ik nog royaal in mijn wiskunde, die eigenlijk meedogenloos hoort te zijn). Dat geeft Y = 47,5, schattebout, what were you thinking? Lord Byrons Don Juan zou ik het nog hebben kunnen vergeven, maar dit is niets minder dan pure valsheid. Mijn intuïtie had je werkelijk waar hoger ingeschat, maar ja, mijn intuïtie zegt mij tevens dat de aarde niet beweegt.

Amateurisme is geoorloofd in een zaak die geen professionals kent, maar dit is geen amateurisme, dit is misleiding. Je premature hamer van ambiance heeft een lemen fundament wat jij voor beton hield aan brokken geslagen en het is aan jou om de stukjes weer bij elkaar te rapen. Tot die tijd zal ik jouw Dulcinea blijven.

 

Zalig zijn de onwetenden, behalve wanneer ze zo nodig van me moeten “houden”…

Een oude nagel in een verdrongen litteken


Een oude nagel in een verdrongen litteken

 

Het eerste dat me opviel was de abruptheid waarmee het licht doofde. Toen ik door mij om te draaien reageerde op de bedrieglijke glans die zich aftekende aan de horizon was vóór mijn volledige besef van de hachelijke situatie reeds de zon ondergegaan. IJzeren, schijnbaar ontembare natuurwetten die rotsvast ontstaan en gefundeerd waren na een gradueel evolutionair proces van een ondenkbare eeuwigheid werden in één vluchtig ogenblik teruggebracht naar hun respectievelijke nulpunten. Er was geen sprake van ook maar enige twijfel of aarzeling in ‘s zons razendsnelle gang neerwaarts. Het flauwe kunstmatige omgevingslicht werd tegelijkertijd aan mijn wijd open ogen onttrokken door de schaduw die jouw gelaat over het mijne wierp. De poorten tot onze zielen keken elkaar recht aan en vestigden een connectie, een lang verloren connectie, doch nooit meer zo hecht als de verbintenis die ooit eerder in een verloren verleden gerealiseerd werd. Ik schrok ervan hoe plots dit proces plaatsvond waardoor mijn wezen hevig trilde en mijn hartslag eventjes, heel eventjes, op dat ene, wereldschokkende moment, stopte, om vervolgens in razend, ongeremd, chaotisch gebonk uit te barsten. Zonder dat er nog een woord gesproken was, weerklonken oude echo’s langs de vier zich spontaan oprichtende en mij insluitende dikke stenen wanden. Je blauwe ogen keken intimiderend doordringend in de mijne en nagelden mij muurvast aan de kille harde grond. Iedere beweging was onmogelijk geworden voor mijn opnieuw geketende lichaam en alles wat ik nog kon doen was jou aankijken en via mijn ogen jouw terminale ziekte volledig in mij opnemen. Voor de tweede maal in mijn leven voelde ik deze maligne kwaal door mijn hele wezen stromen, tot het alom uitgezaaid was. Eén geïnfecteerde traan ontsnapte nog vluchtig aan mijn besmette lichaam voordat jij je met een macabere grijns omdraaide naar de laatste, krimpende opening in de kleurloze muren. Achter die wanden zie ik nog vluchtig de zon op zijn hoogste punt staan, jou in al zijn glorie verlichtend. Je sluit traag je ogen en heft je hoofd ten hemel, kijkt nog één laatste maal om met nog steeds dezelfde lugubere sadistische glimlach op je gezicht en loopt fier met rechte rug de wereld in, terwijl de wanden zich achter je sluiten en ik hier achterblijf, moederziel alleen en geketend in deze allesoverheersende, troosteloze duisternis.

Götterdämmerung

Götterdämmerung
Een zonnig afscheid van ketenen

Ik loop in de middagzon door de bergen, genietend van het volle licht, ver verwijderd van de stad. Er was mij namelijk verteld dat hier nog een asceet van de oude orde woont, huizend in een grot, in zijn lege, lege kluis. Aangezien ik het niet gewend ben om dwaalsporen te volgen, vergt het mij enige tijd voor ik het oude baasje op het spoor gekomen ben. Zodra het grijze kromme mannetje mij ontwaart, wenkt hij mij. Rimpels vullen zijn gelaat en neerwaarts wijzende groeven langs zijn mondhoeken geven hem een chronische melancholische gelaatsuitdrukking. Hij steunt op een vreemde stok, kaarsrecht met aan weerszijden twee uitstekende balken. Dit is het enige hulpmiddel waarmee het oudje zich overeind weet te houden. Zijn grot is omgeven door groene struiken, rijkelijk gevulde fruitbomen en vele zonnige open plekken. De bejaarde slaat hier echter geen acht op en wenkt me lachend opnieuw om mij de binnenkant van zijn grot te tonen. Ik volg de kluizenaar gedwee.
In de grot tref ik een schokkende scène aan. Naast wat geschriften en een bescheiden slaapplaats wordt de gehele grot ingenomen door veertien standbeelden, verdeeld in twee gelijke groepen. De ene groep bevat stenen beelden van duistere kleur met namen als "Wellust", "Hebzucht" en "Hoogmoed". De andere groep bestond uit parelwitte beelden getiteld "Naastenliefde", "Bescheidenheid" en "Vroomheid". De trotse asceet vertelt mij dat hij deze eeuwenoude stenen standbeelden honderden jaren lang met trots heeft onderhouden. Wanneer er breuk of verval in de stenen leken te ontstaan, ging hij dit fel en intensief tegen, de ene keer met liefde en tederheid, de andere keer met harde hand en bruut geweld. "Want", spreekt de tandeloze bejaarde, "het gaat er niet om of dit authentieke, originele beelden zijn. Het gaat er niet om of zij recht hebben om de uitverkoren beelden te zijn. Ze zijn nu eenmaal eeuwen geleden gebouwd en ze zullen blijven staan, voor altijd! Ik heb er zo veel werk aan gehad en dit verschaft mij het recht om ze hier te laten triomferen en aan eenieder te tonen, opdat hij of zij beïnvloed wordt!" Dit liet ik echter niet zomaar langs mij heen gaan. Ik was hier immers niet zomaar gekomen, ik was hier met een missie. Ik legde mijn hand op de schouder van de oude, vrome kluizenaar en sprak: "U bedoelt het zo goed, beste man, maar het is fout om deze beelden zo te portretteren. U vergist zich namelijk, oude dwaas! Deze pure, heldere witte beelden zijn namelijk helemaal niet van steen. Ik zal het u aantonen."
En met één beweging van mijn hamer sloeg ik alle zeven witte beelden tot stof. De oude man geeft een gil en kijkt mij verschrokken aan. Ik spreek: "Schrik niet, oude, want u heeft opgericht wat dient te vallen. Deze beelden leken eeuwenlang inderdaad van steen te zijn. Echter, wanneer men het gezonde verstand er als een hamer op los laat, resteert er slechts stof. Men kan achteraf nog puinresten van een ooit fier, doch onterecht, schijnbaar stevig bouwwerk in de hand nemen, maar laat dit uiteindelijk tussen zijn vingers dwarrelen tot het ter aarde valt, waar het ook hoort."
"De andere groep beelden", vervolgde ik na een korte stilte, "is eveneens niet van steen. Op deze hoef ik echter mijn hamer niet los te laten. Deze beelden kan ik namelijk wel gebruiken. Zie!" en ik pakte "Hebzucht", de "Mammon Avaritia", en kneedde het naar mijn evenbeeld. "Deze beelden zijn van klei en ik kan ze kneden naar hoe ik ze kan gebruiken, naar hoe ik ze wil..."
Toen ik hetzelfde met enkele andere donkergekleurde beelden begon te doen, begon de oude man vol ongeloof om zich heen te kijken naar de ravage die ik zojuist had aangericht. Het kostte hem een moment om de feiten om zich heen te beseffen, maar op het moment dat dit besef kwam, brak de wandelstok van de kluizenaar. Met een laatste doodskreet viel de asceet traagjes voorover, maar belandde toch met een harde smak op de grond. Na wat korte bewegingen en stuiptrekkingen gaf de oude man het leven. Met zijn levenswerk, zijn bouwwerken, stierf hij en de ondergang van dit lugubere mannetje en zijn troosteloze schouwspel namen eindelijk de schaduw weg die hij en zijn monumenten over dit heldere, vrolijke, prachtige bos hadden geworpen. Ik hoefde nog maar één maal achterom te kijken om voor de rest van mijn leven verzekerd te zijn van zijn dood. De rest van de wereld moet zelf die moord plegen.

In ruwere wateren

In ruwere wateren

 

Eens bevoer ik een lang kanaal,

lijnrecht, met water rimpelloos,

en ’t was de weg die ik verkoos

zonder gestijg dan wel gedaal

 

Maar zie! Ook eens stopte dit pad

en was daar plots de wijde zee

Het woeste water trok me mee,

ongewenst, in dat ruige nat

 

Het had een aantrekkingskracht die

voor mijn schip onweerstaanbaar was

en zo betrad ik deze plas,

meegesleurd door de sensatie

 

Het water is hier anders dan

op ’t stille, veilige kanaal

Het stormt, er is alom kabaal

en ik raak in de ban daarvan

 

Door ruwer water bezeten

slinger ik door de oceaan

Ik weet niet waar mijn schip zal gaan

en slaak ijselijke kreten

 

Dan zie ik plotseling jou staan

Stevig gevestigd op het land

stuur jij de storm aan vanaf ’t strand

waardoor ‘k mij moeizaam een weg baan

 

Daar de wind overal heen waait

en mij alle kanten op stuurt,

zie ik hoe jij mijn richting tuurt

en hoe jij daar bewust wind zaait

 

Maar wat ik niet kan zien is of

jij twijfelt en hiermee tijd rekt,

jij mij door de storm naar je trekt,

of mijn boot laat vergaan tot stof

 

Poseidon gelijk sta je daar

Wenk je mij of duw je mij weg?

Heb ik geluk of heb ik pech?

stormt en raast door mijn hoofd en ‘k staar

 

naar jou, want jij hebt nu de macht

Weet dat ik mijn schip blijf sturen,

door de storm naar je blijf turen

en hier zo op jouw antwoord wacht

Filosofietheoretisch apologie van een structuralist

 

Welke filosoof heeft het nog niet gezocht en wellicht nog meer verlangd dan gezocht? De naakte waarheid! Een werkelijk voortreffelijke term voor de noumenale werkelijkheid, de absoluut-reële dimensie. Hoe verkrijgt men hier toegang toe? Kunnen wij uitsluiten dat de gebeurtenissen die wij ervaren geen fictie zijn? Uiteindelijk “ervaren” wij louter datgene dat onze vijf zintuigen ons toekennen. Maar zijn deze zintuigen perfect of zelfs utilitair? Wij opereren niet in de werkelijkheid, wij leven in een schijnwerkelijkheid, een werkwerkelijkheid, Kants fenomenale werkelijkheid. Is dit gevangenschap in de fenomenale realiteit, dit structurele constructivisme niet de nachtmerrie van iedere filosoof? De ongrijpbaarheid van die Sachen hinter die Sachen, de onzichtbaarheid van die Sachen vorbei die Sachen. De ontoegankelijkheid tot het essentiële, het studieobject, het quid pro quo nota bene! De onmogelijkheid te ontsnappen aan de ontastbaarheid van de authentieke en absolute realiteit is een filosofisch onacceptabele vloek. En accepteren zullen wij het dan ook niet. Deze theoretische attaque zal ons niet de grond onder de voeten ontnemen, het wordt slechts een hobbeltje op de epistemologische weg. Reeds Popper loste dit al op met zijn falsificatieprincipe en met of zonder dit zullen we de fundamentalistische poststructuralisten ons er niet onder laten krijgen.

De leeuw en de draak

De leeuw en de draak

 

In een land net als het onze zaten enkele tientallen leeuwen opgesloten in kooien in een tent. Zij hadden nauwelijks bewegingsruimte en waren lange tijd geleden van de vrije savanne gehaald en opgesloten. Er was hen wijsgemaakt dat zij beter af waren in dit gevang dan op de vrije vlakte en mettertijd waren zij dit gaan geloven. Doch, op één dag, na bijna tweeduizend jaar in ketenen geleefd te hebben, stond één jonge leeuw op, verhief zijn stem en zei:

            “Vrienden en lotgenoten! Te lang verkeren wij hier al in gevangenschap. Er is ons nauwelijks bewegingsruimte overgelaten en wij worden als beesten behandeld! Zijt gij dan allen de vrije savanne vergeten, waar wij konden doen wat wij wilden? Waar wij nog leefden? Noemt gij dit leven? Neen, vrienden, dit is de ketening van het leven en vrede hiermee hebben is de ontkenning van het leven!”

“Klaag niet, broeder!”, antwoordde een oude leeuw de jongere. “Deze bewegingsruimte is al wat wij nodig hebben. Wij zitten niet gevangen, wij zijn bevrijd! Vroeger huppelden wij doelloos door de wijde vlakten, over de eindeloos uitgestrekte savanne, maar nu, nu hebben wij onze grenzen leren kennen en hebben wij een doel gevonden. Neen, broeder, wij moeten allemaal gelukkig zijn met en niets meer verlangen dan deze gezegende bewegingsruimte die ons is gelaten en gegund.”

De andere leeuwen stonden nu op uit hun versufte gemoedstoestand en begonnen het gesprek tussen de jonge en de oude leeuw nauw te volgen.

VerderCollapse )

 Uit hoge bergen
Een gedicht van Friedrich Nietzsche

O levensmiddag! Feestelijke uren!
O zomertuin!
Rusteloos geluk in wachten en turen: -
De vrienden verbreid ik, dag en nacht bereid,
Waar blijft gij, vrienden? Kom! 't is tijd! 't is tijd!

Is 't niet voor u, dat de grauwe gletsjers
Nu naar rozen geuren?
De beek zoekt u, verlangend dringen, sleuren
Wind en wolken opwaarts in de lucht,
Naar u spiedend uit verste vogelvlucht.

In hoogste hemel werd voor u mijn dis gedekt: -
Wie is de planeten
Zo nabij, en de grauwste diepten van de afgrond?
Mijn rijk - welk rijk is zo ver uitgestrekt?
Mijn honing - wie heeft hem ooit gegeten?...

- Daar zijt gij, vrienden! Maar ach! Ik ben 't niet
Tot wie gij wilde gaan?
Gij aarzelt, staart mij aan - ach, was gij maar ontsticht!
Ik - ben 't niet meer? mijn hand, tred noch gezicht?
En wat ik ben, gij vrienden - ben ik 't niet?

Een ander werd ik? En mijzelve vreemd?
Een die zichzelf ontsprong?
Een vechter, die zich te vaak bedwong?
Te vaak zijn kracht tegen zichzelf verbruikte,
Al winnend zo zichzelf verwondde en fnuikte?

Ik zocht waar de guurste winden suizen?
Ik leerde huizen
Waar niemand huist, in barre ijsbeerstreken,
Verleerde mens en god, vloek en gebed?
Werd tot een spook dat zich met gletsjers redt?

- Gij oude vrienden! Zie! Hoezeer verstart uw blik,
Vol liefde en schrik!
Nee, ga! Wees niet vertoornd! Hier - kunt gij niet wonen:
Hier is het verste ijs- en rotsenrijk -
Hier moet men jager zijn, een gems gelijk.

Een boze jager werd ik! - Zie hoe mijn boog
Van spanning beeft!
Hoe sterk de arm die hem gespannen heeft - - :
Maar wee! Gevaarlijk is die pijl
Als geen pijl, - weg van hier! Tot aller heil!...

Gij keert u om? - O hart, je droeg genoeg,
Sterk bleef je hopen:
Voor nieuwe vrienden, houd de deuren open!
Vergeet de oude! Dat is voorbij!
Eens was je jong, nu - ben je vrij!

Wat ooit ons bond, de band van één ideaal, - 
Wíe leest nog de taal
Die liefde er ooit in schreef, de bleke tekens?
Het is als perkament dat de hand
Vreest vast te pakken, - meteen verbruind, verbrand.

Geen vriendschap meer; dat is - hoe zal ik 't noemen? -
Nog slechts fantoom!
Het klopt 's nachts op de ramen in mijn droom
En ziet me aan en vraagt: 'waren wij vrienden?' -
- O dorre woorden, o verwelkte bloemen!

O jeugdverlangen, dat zoveel verwachtte!
Naar wie ik smachtte,
Die ik aan mijzelf verwant-herschapen achtte,
Het is hun ouderdom die hen verbant:
Slechts wie zichzelf herschept blijft mij verwant.

O levensmiddag! Tweede jeugd!
O zomertuin!
Ik wacht en tuur met rusteloze vreugd!
De vrienden verbreid ik, dag en nacht bereid,
De nieuwe vrienden! Kom! 't is tijd! 't is tijd!

***

Dit lied is uit, - de zoete schreeuw van het verlangen
Bestierf mij in de mond:
Een tovenaar kwam, de vriend te rechter stond,
De middagvriend - vraag niet wie het was, o nee! -
Des middags was 't, toen werd de één 'n twee...

Nu drinken wij, van de overwinning zeker,
Vereend de vreugdebeker:
Vriend Zarathoestra kwam, de allerbeste gast!
Nu lacht de wereld, gebroken is de kluister,
De bruiloft kwam voor licht en duister...

Friedrich Nietzsche, Voorbij goed en kwaad, (3e druk; Amsterdam 2006), pp. 209 - 211.

MeerCollapse )

Apologie van een bibliofiel

 

Een noemenswaardige verstandhouding ontstaat middels wederzijds begrip. Ontbreekt een dergelijke mutualiteit en gelijkwaardigheid, zal er geen eensgezindheid tussen individuen kunnen optreden daar twee ongelijkwaardigen geen evenwichtige kern kunnen vormen. De balans geraakt dan verstoord en de eenheid zal brokkelen aan verschillende zijden, totdat er weer twee unica ontstaan op de plaats van de gesepareerde fusie. In dubio, letterlijk. Doch, waarheen vluchten zij? Waarin vluchten zij? Snakt niet zelfs de grootste geest naar begrip en dialoog? Zei degene met een soortgelijk probleem niet reeds: Gij groot gesternte! Wat zou uw geluk waard zijn, wanneer ge niet degenen had, die gij verlicht! En gelijk had hij! We weten welke buitenproportionele eigenschappen aan deze fictieve entiteit worden toegeschreven en zelfs hij zou het niet louter daarmee kunnen stellen. En zo is het ook met de bescheidener geesten. Zij eisen begrepen, verstehen te worden, net als de horlogemaker. Anders is en blijft hij ondanks alles een simpele clown op de verlaten toendra. En dit is zijn vloek. Dit is onze vloek.