?

Log in

Previous Entry | Next Entry

Solstitium Brumalis


Voor jou

 

Onder een onbevlekt, babyblauw hemelgewelf schrijd ik over een open veld. Ik groet een enkele boom en knik de vruchtbare, rijkelijk van fauna voorziene aarde instemmend toe met een bescheiden doch lichtrijk glimlachje. Luttele oneffenheden in de schone grond forceer ik niet recht met mijn laarzen, maar stap ik moeiteloos over tot ik ze zelfs niet langer opmerk. De met zegenen strooiende schepping onder mijn voeten is te prachtig om de karige, te verwaarlozen kreukels op te merken te midden van de schoonheid die mijn wezen draagt op een vertederend verenbed.

                En dagen, weken, maanden loop ik met een overvol hart door dit mij toelachende panorama, wiens dampkring met mij een innige, van liefde overladen omhelzing uitwisselt. Ik sluit mijn ogen en voel haar warmte de haren op mijn armen in koor overeind drukken, met de zachtste, tederste vingers die tot de kern van mijn wezen doordringen, en deze in haar fluwelen hand neemt. En daar zag ik haar voor me, serafijn, smetteloos, van goedheid overladen en met de droomwens deze te delen mij de hand toereikend, als in een droom die in een zoete lentenacht mijn oogleden amoureus streelt. Zij overlaadt mijn hart met kussen, omarmingen, zegens en al wat niet met woorden uitgedrukt kan worden dat engelen in hun aura koesteren. Mijn voeten verliezen grond en wensen enkel nog op het luchtledige te lopen, aan alle zijden omringd met haar aureool.

                Maar dan trekt onaangekondigd de donderende winterwende over mijn Hof van Eden. De serafijn trekt plotsklaps een vlammend zwaard uit haar schede en ontzegt mij de toegang tot haar tuin, terwijl ik een ogenblik daarvoor nog onbezorgd, in zuivere onschuld in haar onvergelijkbare, onvervangbare vruchten baadde. En zo is in mijn onwetende nietsvermoedendheid de lucht ineens verstoken van zonnestralen en voltrokken van donderwolken en ligt de fauna tussen de in mijn schrale voetzolen stekende rotsgrond koud en levenloos, als een doodgeboren zuigeling na een verwachtingsvolle zwangerschap.

                De mond die mijn aan jouw genade overgeleverde hart tot oogwenken voorheen nog haar zoete zegens deelachtig maakte bijt nu de levensader door en werpt het voor haar bonzende orgaan als een prul in het stof, waar het ineenkrimpt en langzaam het leven uit zich voelt vloeien. Het ziet nog gebroken, nostalgisch opwaarts, de hemel afturend voor sporen van de louterende zonnestralen die het tot deze Apocalyps nog zo warm en zacht wisten te omklemmen. Maar waar eens schoonheid, liefde en geluk fier in volle glorie straalden rest nu slechts leegte, smart en weemoed.



Vaarwel liefje, engelenhart, licht voor mijn duisternis, warmte voor mijn kilte, nectar voor mijn dorst, wederhelft voor mijn eenzaamheid, antwoord op mijn roepen in de woestijn, poolster in mijn pikzwarte hemel. Ik zal je nooit vergeten.