?

Log in

No account? Create an account

Nietzsches aforismen - Deel 1


"Alle Wahrheit ist einfach." - Ist das nicht zwiefach eine Luege? - Friedrich Nietzsche, Götzen-Dämmerung, oder: Wie man mit dem Hammer philosophirt.

Mijns inziens gaan mijnheer Nietzsche hier toch de fout in. Kan men hier spreken van een "leugen in duplo"? Is er niet veeleer sprake van een waarheid in drievoud? Ik analyseer:

1. Waarheid is per definitie niet eenvoudig. Iedere casus die wij "waarheid" plachten te noemen is per definitie een menselijke creatie. Aangezien meerdere subjectieve, door emoties gedreven mensen zich hiermee bezig gaan houden, is iedere waarheid per definitie veelvormig en complex. Dit lijkt me vrij vanzelfsprekend en behoeft dan ook geen verdere analyse.

2. Eenvoud is per definitie geen waarheid: Wanneer wij met een eenvoudige stelling geconfronteerd worden, hebben wij altijd te maken met een generalisatie of simplificatie en dus vervorming en verkrachting van een waarheid: een onwaarheid dus! Een uitspraak over alle waarheid (alsof waarheid één consistente monoliet is!), zoals in dit geval, is dus helemaal een vereenvoudiging en hiermee een verkrachting van deze waarheid.

3. Waarheid is niet [an Sich]: Parmenides en Kant en Fichte na hem zagen reeds dat als er al zoiets als absolute, noumenale werkelijkheid bestaat, deze voor de mens ontoegankelijk is. Wij hebben immers enkel toegang tot "kennis" middels onze imperfecte en niet als zijnde correct functionerend te garanderen. Wij hebben dus geen empirisch te verdedigen reden om aan te nemen dat waarheid is. (zie ook Nietzsches Über Wahrheit und Lüge im außermoralischen Sinne)

Phaëtons tocht

 

Phaëtons tocht

 

Wat dartel, dartelde je toch

vrij, in vlinderrijke velden

zon in je ogen, zon op je huid

zon op je lief lachende snuit

wij waren Goethes schone helden

wij droomden van een rots

 

Wij leefden fier in trots!

De zon leek hoog wel stil te staan

Wij waren in elkaar verwrongen

spraken met elkaar in tongen

bevroren Zon, wij loofden u! –

 

maar u vervolgde toch uw baan

 

Kracht van zoete herinnering

loop van de wende – kans na kans

thans voel ik mij diep bedrogen

ik schouw in diezelfde ogen

met het licht boet mijn speurkracht in

naar die oude, gouden glans

Gesmoord


Gesmoord



Sapiens! Homo sapiens!

Buiten, daar waar vals licht gloort

voel ik mijn vliedende wens

die zich door huid en porie boort

 

voorbij de vensters van mijn ziel

ten prooi aan uwen kaken viel

legt zwijgen op aan mijnen stem

verdrukt in uwen berenklem

Solstitium Brumalis


Voor jou

 

Onder een onbevlekt, babyblauw hemelgewelf schrijd ik over een open veld. Ik groet een enkele boom en knik de vruchtbare, rijkelijk van fauna voorziene aarde instemmend toe met een bescheiden doch lichtrijk glimlachje. Luttele oneffenheden in de schone grond forceer ik niet recht met mijn laarzen, maar stap ik moeiteloos over tot ik ze zelfs niet langer opmerk. De met zegenen strooiende schepping onder mijn voeten is te prachtig om de karige, te verwaarlozen kreukels op te merken te midden van de schoonheid die mijn wezen draagt op een vertederend verenbed.

                En dagen, weken, maanden loop ik met een overvol hart door dit mij toelachende panorama, wiens dampkring met mij een innige, van liefde overladen omhelzing uitwisselt. Ik sluit mijn ogen en voel haar warmte de haren op mijn armen in koor overeind drukken, met de zachtste, tederste vingers die tot de kern van mijn wezen doordringen, en deze in haar fluwelen hand neemt. En daar zag ik haar voor me, serafijn, smetteloos, van goedheid overladen en met de droomwens deze te delen mij de hand toereikend, als in een droom die in een zoete lentenacht mijn oogleden amoureus streelt. Zij overlaadt mijn hart met kussen, omarmingen, zegens en al wat niet met woorden uitgedrukt kan worden dat engelen in hun aura koesteren. Mijn voeten verliezen grond en wensen enkel nog op het luchtledige te lopen, aan alle zijden omringd met haar aureool.

                Maar dan trekt onaangekondigd de donderende winterwende over mijn Hof van Eden. De serafijn trekt plotsklaps een vlammend zwaard uit haar schede en ontzegt mij de toegang tot haar tuin, terwijl ik een ogenblik daarvoor nog onbezorgd, in zuivere onschuld in haar onvergelijkbare, onvervangbare vruchten baadde. En zo is in mijn onwetende nietsvermoedendheid de lucht ineens verstoken van zonnestralen en voltrokken van donderwolken en ligt de fauna tussen de in mijn schrale voetzolen stekende rotsgrond koud en levenloos, als een doodgeboren zuigeling na een verwachtingsvolle zwangerschap.

                De mond die mijn aan jouw genade overgeleverde hart tot oogwenken voorheen nog haar zoete zegens deelachtig maakte bijt nu de levensader door en werpt het voor haar bonzende orgaan als een prul in het stof, waar het ineenkrimpt en langzaam het leven uit zich voelt vloeien. Het ziet nog gebroken, nostalgisch opwaarts, de hemel afturend voor sporen van de louterende zonnestralen die het tot deze Apocalyps nog zo warm en zacht wisten te omklemmen. Maar waar eens schoonheid, liefde en geluk fier in volle glorie straalden rest nu slechts leegte, smart en weemoed.



Vaarwel liefje, engelenhart, licht voor mijn duisternis, warmte voor mijn kilte, nectar voor mijn dorst, wederhelft voor mijn eenzaamheid, antwoord op mijn roepen in de woestijn, poolster in mijn pikzwarte hemel. Ik zal je nooit vergeten.

 

Evangelie


Men zond de Zoon om te hangen

fier torenend aan het kruis

zag hij neer op ’s mens belangen

en ving wormen in Zijn huis

 

Hij machtigde parasieten

tot het keetnen van de leeuw

plakkaten tegen genieten

op zijn muil vol wensgeschreeuw

 

De Verlosser lost een kogel

in het stromen van het bloed

van de fiere, vrije vogel

voor het welzijn van de stoet

 

“Zo heb ik mijn volk gekneed

zonder vrijheid, zonder kleur

Hierin is mijn zwaard gesmeed”,

sprak de groot-inquisiteur.

Klokkenspel


Je blik toont ’t einde van de zonnewende

zo wrang dat mijn middagoog ‘t niet herkende

maar toen ik het dorre toneel verkende

was het rap mijn hart dat naar de klok rende

 

De raderen verzetten met stille kracht

hun mechaniek – doof voor mijn weeklacht

De laatste twee minuten vloog mijn pracht;

het ijzeren uurwerk sloeg middernacht.

Sprong in het diepe

 

                                                   Sprong in het diepe



                                                Aan schone, sterrenrijke horizon

schittert helder het onmiskenbaar licht

van een vuurtoren die zijn stralen werpt

op ‘t gelaat van een dolende gericht

 

Zij kussen mijn ogen, strelen mijn wang,

aaien zacht mijn reikende armen,

verlichten fraai mijn wezen, mijn wereld,

kunnen een hunkerend hart verwarmen

 

Jij straalt daar fier aan de overzijde

van de zeestorm waar je licht door brandt

Ik ben slechts een vagebond op een vlot

die zich een weg waagt naar de overkant

 

Schenk jij mij een warme, veilige landing,

word ik jouw vaste rots in de branding

Kuststorm

                                                    Kuststorm

 

 

Ongewild stap ik van de vaste wal

om elders een fier eiland te vinden

woest geblazen door warrige winden

vrezend dat ik plots van de zijde val

 

Woelige baren spelen met mijn schip

ontvreemden mij de macht over het roer

vervreemden mij van de koers die ik voer

doen mij schier scheren langs menige klip

 

Met in mijn reikende hand een kompas

strijk de zeilen onder ’t ogen wrijven

In jouw armen ‘n bevrijdende haven

en ik werp mij neer vol overgave

en ik had hier eeuwig willen blijven

als er een plaatsje aan de steiger was

Zoete winter


Zoete winter

 

Kalm en gecoördineerd legde ik de geïmproviseerde duistere deken van dorre, verkleurde herfstbladeren nonchalant naast mij neer. Ik inspecteerde met volstrekt neutrale gelaatsuitdrukking vluchtig het troosteloze schouwspel aan de hemel boven mij. De torenhoge bomen strekten hun magere, machteloze armpjes uit naar de met pikzwarte rook gevulde lucht. Vrijwel volledig ontdaan van al hun verschrompelde bladeren stonden de resterende dunne beuken om mij heen, onstabiel terend op hun laatste restje levenskracht. Ik richtte mij langzaam op en trok de kap van mijn habijt over mijn hangend hoofd. Een schaduw wierp zich over mijn gezicht en gaf mijn gezichtsveld nog een extra donkere dimensie.

                Het verlaten slagveld om mij heen lag stil, slapende, stervende. Geen geluid beroerde mijn trommelvliezen behalve de zacht suizende wind die mijn gezicht verkoelde en mijn jas iets deed deinen. Ik zette een rustige wandelpas in en de wit met zwarte sneeuw kraakte onder mijn laarzen. Mijn bescheiden schreden drukten knisperend hun merkteken en bevlekten het wonderschone maagdelijke landschap om mij heen. In de verte doemden melancholische urbane ruïnes op aan de treurende kleurloze horizon, hun futiele afbeelding op de gezichteinder stempelend. In de richting van deze op mijn stoffige netvlies gerichte mijlenverre kadavers stappende trok ik een dood stuk vel van mijn ruwe wang. Onverschillig wierp ik het van mij af op de impotente aarde die op iedere centimeter grond de onzichtbare hoefafdrukken van het paard van de vierde ruiter vertoonde. Vergeten bleef het daar roerloos in de smogsneeuw liggen, harmonieus hand in hand ontbindend met de droevige restanten van Gods Schepping.

                Mijn tred was als stof in de wind. Nog geen kraai keek mij met scheef hoofd nieuwsgierig van een gehavende tak aan. Nog geen dierlijke kreet schreide in de onzichtbare verte van verlangen of eenzaamheid. Nog geen verdwaalde vreemdeling nam mij misnoegend waar vanuit een schaduwrijk hoekje met een te lang onbeantwoorde solitaire blik. Als godverlaten minuscule pion liep ik daar over deze mistige bevroren akker, deze braakliggende baarmoeder, omcirkeld door een apotheotisch aura en necrotisch schootweefsel bevlekt met een vergeten ongestorven luis die onbedoeld op een niet voor zijn soort bestemde plek was achtergebleven.

                En verwarmd door een intens, niet met zesentwintig schamele karakters uit te drukken genot ging ik voort, doelloos richting de wenende geraamten aan de hemel door deze van iedere vloek of zegen verstoken dampkring die zijn koude armen liefhebbend om mijn kille lijf sloot. En daar, onder dat zwarte, zich voortslepende wolkendek, viel ik op mijn knieën op de smerige, vochtige grond en hief mijn handen dankend ten hemel. En nederig boog ik voorover en kuste de morsdode aarde. En terwijl de gevleugelde Thanatos mij glimlachend met een knipoog passeerde beantwoordde de levenloze Gaia mijn kus, met een onverbiddelijke, macabere, steenkoude, lege druk op mijn zwijgende, gekloofde lippen. En gezegend met zo’n ongekende en oprechte liefdesverklaring wierp ik mijn kussen naar alle vier de verlaten, van iedere levende presentie verstoken windrichtingen en zette mijn tocht voort door deze kille, levenloze, omarmende, eeuwige nacht.

Galanthus

Galanthus

 

Weerszijds geratel zingt

en een vlot kucht een plof

het slot in ‘t zand apotheose

zonder zilverstuk over

haren angstig hemelwaarts

tenen kussen grastoppen

wimpers groeten ongeloof

wenken van de nauwe gang

 

Schreden over bloedheet zand

loden stappen harnasloos

armen spreiden wensend

doch hazenhart stamelt

 

Na visrijke deuren ontwaard

de reep die tot baken werd

kussens durven te wijken stijgen

zetel vloeit zuidelijk zonder merk

zalig zwijgen buigt opwaarts

onder kiemende sterren

 

Satijnen reine omhelzing

ontsteekt woeste aardkernen

droom van fluwelen cycli

tot Prometheus neervalt